Verdwenen Tweeling Syndroom

home | ervaringen | zelftest | vtsgroep | stichting | over ons | contact | theorie | links


Freud en Jung: van 1906 - 1913 een tweeling?

Herinneringen Dromen Gedachten; C.G.Jung. vanaf blz. 131: Sigmund Freud

Ik ga een lang stuk citeren om te illustreren hoe Jung tegen het leven en zijn werk aankeek; dit ter meerdere overtuiging van zijn grootsheid en tegelijk als illustratie van zijn diepe band met Freud. Beide heren waren volgens mij van het type 'alleen geboren meerling'. Dat alleen verklaart voor mij voldoende hun bijzondere ontmoetingen met uiteindelijk slechte afloop. In hun ogen ging het om een niet doorgewerkt Oedipus-complex, maar voor mij is dat inmiddels een zeer oppervlakkige verklaring, die niet alle dynamiek voldoende verheldert. Over en weer was er een doodswens, zoveel is duidelijk, maar het is een intra-uterinaire volgens mij en niet die van een zes jarig jongetje richting zijn vader.

'Het avontuur van mijn geestelijke ontwikkeling ving aan toen ik psychiater werd. Op argeloze wijze begon ik geesteszieke patiënten klinisch, van buitenaf, te observeren. Daarbij stuitte ik op psychische processen van opmerkelijke aard, die ik registreerde en classificeerde zonder het minste begrip van hun inhoud te hebben. Deze leek met 'pathologisch' voldoende gewaardeerd. In de loop van de tijd concentreerde ik mijn belangstelling steeds meer op die zieken, waarbij ik iets begrijpelijks kon zien, dat wil zeggen op paranoïde gevallen, manisch-depressieve krankzinnigheid en psychogene storingen. Vanaf het begin van mijn psychiatrische loopbaan werd ik sterk geïnspireerd door de studies van Breuer en Freud en door het werk van Pierre Janet. Vooral Freuds eerste aanzet om te komen tot een methode van droomanalyse en droominterpretatie waren een grote steun bij het begrijpen van schizofrene uitdrukkingsvormen. Al in 1900 had ik Freuds 'Traumdeutung' gelezen. Ik had het boek weer terzijde gelegd, omdat ik het mog niet begreep. Op mijn vijfentwintigste ontbrak me de ervaring waaraan ik Freuds theorieën had kunnen toetsen. Dat kwam pas later. In 1903 nam ik de 'Traumdeutung' nog eens ter hand en ontdekte de samenhang met mijn eigen ideeën. Wat me bij dit boek vooral intereseerde was de toepassing van het begrip 'verdringingsmechanisme' - dat afkomstig was uit de neurosenpsychologie - op het gebied van de dromen. Dat was belangrijk voor mij omdat ik herhaaldelijk verdringingen tegenkwam bij mijn woordassociatie-experimenten: op bepaalde prikkelwoorden wisten de patiënten òf geen associatief antwoord, òf ze hadden aanmerkelijk langere reactietijd nodig. Zoals naderhand bleek, trad zo'n storing telkens op wanneer het prikkelwoord een psychische verwonding of een conflict had aangestipt. De patiënt was zich daar meestal niet van bewust, en op mijn vraag naar de oorsprong van de storing atwoordden ze vaak op een merkwaardig gekuntstelde manier. Door het lezen van Freuds 'Traumdeutung' dat hier het verdringingsmechanisme aan het werk was en dat de door mij geobserveerde feiten met Freuds theorie overeenkwamen. Ik kon zijn uiteenzettingen alleen maar bevestigen.
Anders was het gesteld met de inhoud van de verdringing. Hierin kon ik Freud geen gelijk geven. Hij zag als oorzaak van de verdringing het seksuele trauma en dat was voor mij niet voldoende. Uit mijn praktijk kende ik talrijke gevallen van neurosen waarbij de seksualiteit slechts een ondergeschikte rol speelde en waarbij andere factoren voorop stonden, bij voorbeeld het probleem van de maatschappelijke aanpassing, het onderdrukt-zijn door tragische levensomstandigheden, aanspraken op prestige enzovoort. Later heb ik Freud dergelijke gevallen voorgelegd, maar als oorzaak erkende hij geen andere factor dan de seksualiteit. Voor mij was dat heel onbevredigend.
In het begin vond ik het niet eenvoudig Freud de juiste plaats in mijn leven te geven, of tegenover hem een goede houding te vinden. Toen ik met zijn werk kennismaakte had ik een academische loopbaan vóór me liggen en ik stond op het punt een werkstuk te voltooien, dat me vooruit moest helpen bij de universiteit. Freud was echter in de academische wereld van die tijd uitgesproken persona non grata en een relatie met hem deed daarom afbreuk aan elke wetenschappelijke reputatie. De 'mensen die het voor het zeggen hadden' spraken hoogstens heimelijk over hem, en bij congressen werd er slechts in de wandelgangen over hem gesproken, nooit in het openbaar. Ik vond het dus helemaal niet prettig dat ik een overeenstemming moest vaststellen van mijn associatie-experiment met Freuds theorieën.
Op een dag toen ik me in mijn laboratorium met deze vragen bezighield, kreeg ik de duivelse influistering dat ik er recht op had de resultaten van mijn experimenten en mijn conclusies te publiceren zonder Freud te noemen. Ik had immers mijn proeven uitgewerkt lang voordat ik iets van hem begreep. Maar tegelijk hoorde ik ook de stem van mijn tweede persoonlijkheid: 'Als je net doet alsof je Freud niet kent, is dat bedrog. Je kunt je leven niet op een leugen bouwen.'- Daarmee was de zaak afgedaan. Vanaf dat moment koos ik voor Freud partij en zette me voor hem in.
De eerste lans brak ik voor hem op een congres in München waar over dwangneurosen werd gesproken, maar waar zijn naam opzettelijk verzwegen werd. In 1906 schreef ik in aansluiting daarop een artikel voor de 'Münchener Medizinische Wochenschrift' over de neurosenleer van Freud, die tot het begrijpen van de dwangneurose zoveel wezenlijks had bijgedragen. Naar aanleiding van dit artikel ontving ik waarschuwingsbrieven van twee Duitse hoogleraren: als ik aan de kant van Freud bleef staan en doorging met hem te verdedigen, dan was mijn academische toekomst in gevaar. Ik antwoordde: 'Als datgene wat Freud zegt de waarheid is, dan sta ik aan zijn kant. Een carrière kan me gestolen worden, als deze veronderstelt dat je je onderzoek moet beknotten en de waarheid moet verzwijgen.' En ik ging voort met het verdedigen van Freud en zijn denkbeelden. Alleen kon ik op grond van eigen ervaringen het er nog steeds niet mee eens zijn dat alle neurosen veroorzaakt worden door seksuele verdringing of door seksuele trauma's. In bepaalde gevallen ging dat op, maar in andere niet. In ieder geval had Freud de weg gebaand voor nieuwe onderzoekingen en de toenmalige verontwaardiging over hem leek me absurd.

Ik had niet veel begrip gevonden voor de ideeën die uitgedrukt werden in 'Die Psychologie de Dementia praecox', en mijn collega's lachten me uit. Maar dankzij dit boek kwam ik bij Freud terecht. Hij nodigde me bij zich thuis uit en in februari 1907 vond onze eerste ontmoeting in Wenen plaats. We troffen elkaar om ééń uur 's middags, en dertien uur lang spraken we samen vrijwel anafgebroken. Freud was de eerste man van werkelijke betekenis die ik ontmoette. Geen ander die ik toen kende, kon zich met hem meten. Zijn instelling had niets triviaals. Ik vond hem buitengewoon intelligent, scherpzinnig en in elk opzicht opmerkelijk. En toch bleven mijn eerste indrukken van hem onduidelijk; ik begreep ze ook gedeeltelijk niet.
Wat hij me zei over zijn seksuele theorie maakte indruk op me. Toch konden zijn woorden mijn bedenkingen en twijfels niet wegnemen. Ik bracht ze meer dan eens naar voren, maar steeds weer hield hij me voor dat het mij aan ervaring ontbrak. Freud had gelijk: destijds bezat ik nog niet genoeg ervaring om mijn bezwaren te funderen. Ik zag dat zijn seksuele theorie enorm belangrijk voor hem was, zowel in persoonlijk als in filosofisch opzicht. Dat maakte indruk op me, maar het werd me niet duidelijk in hoeverre zijn positieve waardering samenhing met subjectieve veronderstellingen en in hoeverre met bewijskrachtige ervaringen.
Vooral Freuds houding te opzichte van de geest leek me in hoge mate twijfelachtig. Zodra je ook maar een uiting van iets geestelijks kon ontdekken, bij de mens, of bij een kunstwerk, dan maakte hij dat verdacht en liet doorschemeren dat er sprake was van 'verdrongen seksualiteit'. Datgene wat niet rechtstreeks als seksualiteit geïnterpreteerd kon worden, noemde hij 'psychoseksualiteit'. Ik bracht daar tegenin dat zijn hypothese - logisch tot het einde doordacht - tot een vernietigend oordeel over de cultuur moest leiden. Cultuur zou dan alleen nog maar een farce zijn, een morbide reultaat van verdrongen seksualiteit. 'Ja', bevestigde hij, 'zo is het. Dat is een vloek van het noodlot waartegen we machteloos zijn.' Ik was volstrekt niet bereid hem gelijk te geven, of het daarbij te laten, maar voelde me nog niet tegen een discussie opgewassen.
Er was nog iets anders dat ik bij onze eerste ontmoeting veelbetekenend vond. Dat betrof dingen die ik echter pas na het einde van onze vriendschap volledig kon doordenken en begrijpen. Het was onmisbaar dat de seksuele theorie Freud buitengewoon na aan het hart lag. Wanneer hij daarover sprak, werd zijn toon indringend, bijna angstig, en er was niets meer te merken van zijn kritische en sceptische aard. Zijn gezicht kreeg dan een vreemd bewogen uitdrukking, waarvan ik de oorzaak niet kon verklaren. Dat maakte grote indruk op me: de seksualiteit betekende voor hem een numinosum. Mijn indruk werd bevestigd door een gesprek dat omgeveer drie jaar later (1910) in Wenen plaatsvond.
Ik herinner me nog levendig hoe Freud tegen me zei: 'Mijn beste Jung, je moet me beloven nooit de seksuele theorie op te geven. Dat is het allerwezenlijkste. Zie je, we moeten er een dogma van maken, een onwrikbaar bolwerk.' Dat zei hij zeer hartstochtelijk, op een toon zoals een vader zou zeggen: 'En beloof me één ding, mijn beste jongen, ga elke zondag naar de kerk!' Enigszins verbaasd vroeg ik hem: 'Een bolwerk - waartegen?' Waarop hij antwoordde: 'Tegen de zwarte moddervloed - 'hier aarzelde hij even, om er dan aan toe te voegen: 'van het occultisme.' Ik schrok meteen al van de uitdrukking 'bolwerk' en 'dogma'; want een dogma, dat wil zeggen een indiscutabele belijdenis, stelt men alleen op wanneer men voor eens en voor altijd een twijfel wil onderdrukken. Dat heeft echter niets meer te maken met een wetenschappelijk oordeel, alleen nog maar met persoonlijke machtsdrift. Het was een dolkstoot in het hart van onze vriendschap. Ik wist dat ik hiermee nooit akkoord zou kunnen gaan. Wat Freud onder 'occultisme' leek te verstaan, was vrijwel alles wat filosofie en religie, en ook de in die dagen opkomende parapsychologie over de ziel te zeggen hadden. Voor mij was de seksuele theorie precies zo 'occult' dat wil zeggen een onbewezen hypothese, alleen maar een mogelijkheid, zoals zoveel andere speculatieve opvattingen. Een wetenschappelijke waarheid was voor mij een op dat moment bevredigende hypothese, maar niet een geloofsartikel voor alle tijden.
Zonder dat ik dat destijds allemaal goed begreep, had ik een doorbraak van onbewuste religieuze factoren bij Freud meegemaakt. Kennelijk wilde hij mij als bondgenoot aanwerven bij de verdediging tegen bedreigende onbewuste inhouden.
De indruk die dit gesprek maakte, droeg bij tot mijn verwarring, want ik had tot dan de seksualiteit nooit gezien als een onzekere aangelegenheid die je trouw moest blijven, omdat ze anders verloren zou kunnen gaan. Voor Freud betekende de seksualiteit kennelijk meer dan voor andere mensen. Ze was voor hem een 'res religiose observanda' (een zaak voor aandachtige beschouwing). Onder de indruk van dergelijke problemen en gedachten gedraag je je gewoonlijk terughoudend en met schroom. Zo werd dit gesprek na enkele stamelende pogingen van mijn kant al gauw beëindigd.
Ik was diep onder de indruk, verlegen en verward. Ik had het gevoel een glimp van een nieuw, onbekend land opgevangen te hebben, van waaruit zwermen nieuwe gedachten op me afkwamen. Eén ding was duidelijk: Freud, die steeds met nadruk op zijn ongodsdienstigheid wees, had voor zichzelf een dogma geproclameerd. Of beter gezegd: in plaats van een naijverige God die voor hem verloren was gegaan, had hij zich een ander dwingend beeld opgelegd, namelijk dat vande seksualiteit - een beeld dat zich niet minder opdrong, en dat niet minder veeleisend, gebiedend, bedreigend en moreel ambivalent was. Zoals het psychisch sterkere - dat daarom te vrezen is - de attributen 'goddelijk'of 'demonisch' toekomt, zo had het 'seksuele libido'bij hem de rol van een deus absconditus, van een verborgen God, aangenomen. Het voordeel van deze wijziging was voor Freud kennelijk dat dit nieuwe numineuze principe hem wetenschappelijk onberispelijk toescheen; het leek ook bevrijd van elke religieuze belasting. In feite bleef echter de numinositeit van de rationeel niet te verenigen tegenstellingen - Jahwe en seksualiteit - dezelfde. Alleen de benaming veranderde en daarmee ook de gezichtshoek: het verloren gegane moest niet 'boven' gezocht worden, maar 'beneden'. Maar wat maakt het uiteindelijk voor de sterkere uit of je hem de ene naam geeft of een andere?Als er geen psychologie zou bestaan, maar alleen concrete voorwerpen, dan zou men het ene werkelijk vernietigd hebben en het andere ervoor in de plaats gezet. Maar in werkelijkheid, dat wil zeggen binnen het bereik van de psychologische ervaring, is er totaal niets verdwenen van het indringende, de angst, de dwangmatigheid enzovoort. Evenals tevoren blijft de vraag bestaan hoe men vat krijgt op de angst, het slechte geweten, de schuld, de dwang, de onbewustheid en de driftmatigheid, of hoe men eraan ontkomt. Lukt dat niet vanuit de lichte, idealistische zijde, dan wellicht vanuit de duistere, biologische.
Als even oplaaiende vlammen, zo speelden deze gedachten me door het hoofd. Veel later, toen ik nadacht over Freuds karakter, zag ik hun belang en onthulden ze me hun betekenis. Vooral één karaktertrek van Freud hield me bezig: zijn bitterheid. Deze was me al opgevallen bij onze eerste ontmoeting. Lange tijd was het iets onbegrijpelijks voor me, tot ik de samenhang zag met zijn houding ten opzichte van de seksualiteit. Voor Freud was weliswaar de seksualiteit een numinosum, maar in zijn terminologie en theorie komt ze uitsluitend als een biologische functie tot uitdrukking. Slechts uit de bewogenheid waarmee hij erover sprak, kon je opmaken dat er nog iets diepers in hem was geraakt. Uiteindelijk wilde hij onderwijzen - tenminste, zo kwam het mij voor - dat van binnenuit gezien de seksualiteit ook geest omvat, of een zin bevat. Zijn concretische terminologie was echter te beperkt om deze gedachten tot uitdrukking te brengen. Ik kreeg dus de indruk dat hij in feite tegen zijn eigen doel, en tegen zichzel, inging; en er is geen erger bitterheid dan die van een mens die zijn eigen grootste vijand is. Volgens zijn eigen uitspraak voelde hij zich door een 'zware moddervloed' bedreigd; hij, die voor alles geprobeerd had de zwarte diepte leeg te scheppen.
Freud heeft zich nooit afgevraagd waarom hij voortdurend over de sexus moest praten, waarom hij zo gegrepen was door deze gedachte. Hij is zich er nooit bewust van geworden dat in de 'monotomie van de interpretatie' een vlucht voor zichzelf werd uitgedrukt, of voor die andere, wellicht 'mystiek' te noemen kant van zijn wezen. Als hij deze kant echter niet erkende, zou hij nooit in harmonie met zichzelf kunnen komen. Hij was blind voor de paradoxie en de dubbelzinnigheid van de inhouden van het onbewuste, en wist niet dat alles wat uit het onbewuste opduikt een boven- en onderzijde, een binnen- en buitenkant heeft. Als men alleen over de buitenkant praat - en dat deed Freud - dan let men slechts op de éne helft, en logischerwijs ontstaat vanuit het onbewuste een tegenwerking.
Tegen deze eenzijdigheid van Freud was niets te beginnen. Misschien zou een eigen innerlijke ervaring hem de ogen hebben kunnen opnenen, maar wellicht zou zijn intellect ook dat tot 'alleen maar seksualiteit' of 'psychoseksualiteit' gereduceerd hebben. Hij was ten offer gevallen aan één aspect en daarom juist zie ik in hem een tragische figuur; want hij was een groot man en - wat nog meer is - een gedrevene.

Na dit tweede gesprek in Wenen begreep ik ook de machtshypothese van Alfred Adler, waar ik tot dusverre niet genoeg aandacht aan had geschonken. Adler had, zoals veel zonen, niet datgene van de 'vader' geleerd wat deze zei maar wat hij deed. Vervolgens viel het probleem van liefde (of Eros) en macht loodzwaar op mijn gemoed. Freud had, zoals hij me zelf zei, nooit Nietzsche gelezen. En nu zag ik zijn psychologie als een zet in het schaakspel van de geestesgeschiedenis, waardoor Nietzsches vergoddelijking van het machtsprincipe gecompenseerd werd. Het probleem luidde blijkbaar niet 'Freud versus Adler' maar 'Freud versus Nietzsche'. Het leek me veel meer te betekenen dan een huiselijke twist binnen de psychopathologie. De gedachte kwam bij me op dat Eros en machtsdrift als twee broers zijn die in tweedracht leven; zonen van één vader. Ze vormen een motiverende zielekracht, die - zoals positieve en negatieve elektrische lading - in de ervaring manifest wordt in een elkaar tegengestelde vorm: de één passief - de Eros - en de ander actief - machtsdrift - en vice versa. De Eros doet evenzeer een beroep op de machtsdrift als deze op de Eros. Waar blijft de ene drift zonder de andere? De mens is enerzijds aan de drift onderworpen, anderzijds probeert hij hem de baas te worden. Freud liet zien hoe het object bezwijkt aan de drift, en Adler hoe de drift gebruikt wordt om het object te overmeesteren. Nietzsche, overgeleverd aan zijn noodlot, bezweken aan zijn noodlot, moest zich een 'Uebermensch' scheppen. Freud, zo concludeerde ik, moest zó diep onder de indruk zijn van de macht van Eros, dat hij hem als een religieus numen zelfs tot dogma - aere perennius - wil verheffen. Het is geen geheim dat 'Zarathustra' de verkondiger van een evangelie is, en Freud concurreert zelfs met de kerk in zijn opzet om leerstellingen te kanoniseren. Hij heeft dat overigens niet al te openlijk gedaan, maar in plaats daarvan heeft hij mij ervan verdacht voor profeet te willen doorgaan. Hij maakt zijn tragische aanspraak en wist hem tegelijk uit. Zo handelt men meestal ten opzichte van het numineuze, en dat is terecht, want het is in het ene opzicht waar, in het andere onwaar. De numineuze beleveing verhoogt en vernedert tegelijk. Als Freud wat meer had gelet op de psychologische waarheid dat de seksualiteit numineus is - ze is een god en een duivel - dan was hij niet blijven steken in de beperktheid van een biologisch begrip. En Nietzsche was wellicht niet in zijn onmatigheid over de rand van de wereld gevallen als hij zich wat meer had gehouden aan de grondslagen van het menselijke bestaan.
Telkens wanneer de ziel door een numineuze beleving in hevige beroering raakt bestaat het gevaar dat de draden waar de mens aan hangt, verbroken worden. Daardoor vervalt de ene mens tot een absoluut 'ja' en de andere tot een evenzo absoluut 'nee'. 'Nirdvandva' (vrij van twee) zegt het Oosten. Dat heb ik onthouden. De geestelijke pendel slingert tussen zin en onzin en niet tussen juist en onjuist. Het gevaar van het numineuze bestaat hierin dat het de mens tot extremen verleidt en dat dan een bescheiden waarheid voor de waarheid, een een kleine fout voor een fatale vergissing wordt aangezien. Tout passe - wat gisteren waarheid was, ziet men vandaag als een misleiding; en wat eergisteren als een foutieve conclusie gold, kan morgen een openbaring zijn - en dat gaat vooral op voor psychologische aangelegenheden, waar we immers in feite nog heel weinig van afweten. We hebben nog altijd niet duidelijk ingezien wat het betekent, dat er gewoon niets bestáát als er niet een klein - o zo vergankelijk - bewustzijn er iets van gemerkt heeft!
Het gesprek met Freud had me laten zien dat hij bang was dat het numineuze licht van zijn inzicht in de seksualiteit door een 'zwarte moddervloed'uitgedoofd zou worden. Daardoor ontstond een mythologische situatie: de strijd tussen licht en donker. Dat verklaart de numinositeit van de aangelegenheid en het onmiddellijk te hulp roepen van een religieus verdedigingsmiddel, het dogma. In mijn eerstvolgende boek, day handelde over de psychologie van de heldenstrijd, hield ik me bezig met de mythologische achtergrond van Freuds merkwaardige reactie.
De seksuele interpretatie enerzijds en de machtsdoeleinden van het 'dogma' anderzijds brachten me in de loop der jaren tot het probleem van de typologie en tot de polariteit en de energetica van de ziel. Daarna volgde het onderzoek van de 'zwarte moddervloed van het occultusme', dat zich over tientallen jaren uitstrekte; ik probeerde de bewuste en onbewuste historische uitgangspunten van onze tegenwoordige psychologie te begrijpen.
Het interesseerde me te horen wat Freud over precognitie en over parapsychologie in het algemeen vond. Toen ik hem in 1909 in Wenen bezocht, vroeg ik hem hoe hij daarover dacht. Vanuit zijn materialistisch vooroordeel wees hij dit complex van vragen in zijn geheel als onzin af en beriep zich daarbij op een dermate oppervlakkig positivisme, dat het me moeite kostte hem niet al te scherp te antwoorden. Er verstreken nog een aantal jaren voordat Freud de ernst van de parapsychologie en de feitelijkheid van 'occulte fenomenen' erkende.
Terwijl Freud zijn argumenten naar voren bracht, had ik een merkwaardige gewaarwording. Het leek alsof mijn middenrif van ijzer was en gloeiend werd - een gloeiend middenrifgewelf. En op dat moment weerklonk zo'n gekraak in de boekenkast vlak naast ons, dat wij beiden ontzettend schrokken. We dachten dat de kast over ons heen in elkaar zou storten. Precies zo klonk het. Ik zei tegen Freud: 'Dat is nu een zogenaamd katalytisch exteriorisatie-fenomeen'.
'Och', zei hij, 'dat is klinkklare onzin!'
'Toch niet', antwoordde ik, 'u vergist zich professor en om te bewijzen dat ik gelijk heb, voorspel ik nu dat er zo meteen nog eens zo'n gekraak komt!'
- En inderdaad: nauwelijks had ik deze woorden gesproken, of de kast begon op dezelfde manier te kraken!
Ik weet vandaag de dag nog niet waar ik deze zekerheid vandaan haalde. Maar ik wist heel zeker dat het kraken zich zou herhalen. Freud heeft me alleen maar ontzet aangekeken. Ik weet niet wat hij dacht, of wat hij zag! In ieder geval werd door deze gebeurtenis zijn wantrouwen tegenover mij gewekt en ik had het gevoel dat ik hem iets had aangedaan. Ik heb er nooit meer met hem over gesproken.

Het jaar 1909 werd beslissend voor onze relatie. Ik was door de Clark University (Worcester, Mass.) uitgenodigd om lezingen over het associatie-experiment te houden. Onafhankelijk van mij had ook Freud een uitnodiging gekregen en wij besloten de reis gezamenlijk te maken. We ontmoetten elkaar in Bremen, Ferenczi vergezelde ons. In Bremen vond het veelbesproken incident plaats: het flauwvallen van Freud. Dat werd - indirect - door mijn belangstelling voor de 'veenlijken' geprovoceerd. Ik wist dat in bepaalde streken van Noord-Duitsland zogenaamde gevonden werden. Dat zijn gedeeltelijk uit prehistorische tijden afkomstige lijken van mensen die in de moerassen verdronken, of daar begraven werden. Het veenwater bevat humuszuren die de beenderen aantasten en tegelijk de huid looien, zodat deze - evenals het haar - volkomen intact blijven. Er voltrekt zich dus een natuurlijk mummificatieproces, waarbij de lijken echter door het gewicht van het veen volledig worden platgedrukt. Men vindt ze af en toe bij het turfsteken in Holstein, Denemarken en Zweden. ('Was Freud in de baarmoeder samen met een platgedrukte twin? Was dat de 'zwarte moddervloed van het occultisme'?'; E.R.)
Deze veenlijken, waarover ik gelezen had, kwamen in mijn gedachten toen we in Bremen waren, maar ik was wat 'in de war' en had ze verward met de mummies uit de Bremer Bleikellern! Mijn belangstelling werkte Freud op de zenuwen. 'Wat moet je dan met die lijken?' vroeg hij me meer dan eens. Hij was opvallend geërgerd en tijdens een gesprek over dit onderwerp aan tafel viel hij flauw. Naderhand zei hij me dat hij ervan overtuigd was, dat dit geklets over lijken betekende dat ik hem dood wenste. Ik was niet alleen verrast over deze mening, maar ik was ook geschrokken, vooral door de intensiteit van zijn fantasieën, waardoor hij blijkbaar een flauwte kon krijgen.
In soortgelijke omstandigheden viel Freud nogmaals flauw in mijn bijzijn. Het was tijdens het psychoanalytische congres in München in 1912. Iemand had het gesprek op Amenophis IV gebracht. Er werd naar voren gebracht dat deze tengevolge van zijn negatieve instelling ten opzichte van zijn vader diens cartouches (opschriften) op de steles (gedenkstenen) vernietigd had en dat achter zijn grootse schepping van een monotheïstische religie zijn vadercomplex zou staan. Dat irriteerde me en ik probeerde uiteen te zetten dat Amenophis een creatief en diep religieus mens geweest was, wiens daden niet uit persoonlijke weerstanden tegen zijn vader verklaard konden worden. Hij had integendeel de nagedachtenis van zijn vader in ere gehouden en zijn vernietigingsdrang was slechts gericht tegen de naam van de god Amon, die hij overal liet uitwissen, dus zeker ook op de cartouches van zijn vader Amon-hotep. Bovendien hadden ook de andere farao's de namen van hun werkelijke of goddelijke voorvaderen op monumenten en beelden door hun eigen naam vervangen, waartoe ze zich als incarnaties van dezelfde god gerechtigd voelden. Zij hadden echter geen nieuwe stijl of religie ingevoerd.
Op dat moment is Freud in onmacht van zijn stoel gegleden. Allen stonden er hulpeloos omheen. Toen tilde ik hem op, droeg hem naar de dichtsbijzijnde kamer en legde hem op een sofa. Nog terwijl ik hem droeg, kwam hij weer gedeeltelijk bij kennis, en de blik die hij me toewierp zal ik nooit vergeten. Hulpeloos als hij nu was, keek hij me aan alsof ik zijn vader was. Wat dan ook verder tot dit flauwvallen bijgedragen mag hebben - de atmosfeer was zeer gespannen - deze beide voorvallen hebben de fantasie van de vadermoord gemeen.

Freud had er vroeger tegenover mij herhaaldelijk op gezinspeeld dat hij mij als zijn opvolger beschouwde. Deze toespelingen vond ik pijnlijk, want ik wist dat ik nooit in staat zou zijn zijn opvattingen zogezegd correct, dat wil zeggen in zijn geest, te verdedigen. Ik was er echter ook niet in geslaagd mijn bezwaren zo uit te werken dat hij ze op hun waarde zou kunnen schatten. Bovendien had ik een te groot respect voor hem om hem tot een definitieve discussie te willen uitdagen. De gedachte dat ik als het ware over mijn hoofd heen belast zou worden met de leiding van een partij vond ik om een aantal redenen onaangenaam. Iets dergelijks lag mij niet. Ik kon mijn geestelijke onafhanlijkheid niet opofferen en deze vergroting van mijn prestige stond me tegen. Voor mij betekende dat alleen maar een afleiding van mijn werkelijke doeleinden. Het ging mij om het onderzoeken van de waarheid en niet om persoonlijk prestige.

Onze reis naar de U.S.A., die we in 1909 vanuit Bremen aanvingen, duurde zeven weken. We waren dagelijks bijeen en analyseerden onze dromen. Ik had in die tijd enkele belangrijke dromen, waarmee Freud echter niets kon beginnen. Dat verweet ik hem niet, want het kan de beste analyticus overkomen dat hij het raadsel van een droom niet kan oplossen. Dat was een menselijk falen dat mij er nooit toe gebracht zou hebben een einde te maken aan onze droomanalyses. Integendeel, ik hechtte eer veel waarde aan, en onze relatie was buitengewoon waardevol voor mij. Voor mij was Freud de rijpere, oudere en meer ervaren persoonlijkheid; mezelf zag ik als een zoon. Maar toen gebeurde er iets dat een zware schok betekende voor onze relatie.
Freud had een droom; het is me niet toegestaan te vertellen welk probleem hij bevatte. Ik interpreteerde deze droom zo goed als ik kon, maar voegde eraan toe dat ik er veel meer over zou kunnen zeggen, als hij me nog enkele bijzonderheden uit zijn privé-leven wilde vertellen. Hierop keek Freud me eigenaardig aan - zijn blik was vol wantrouwen - en hij zei: 'Ik kan mijn autoriteit toch niet op het spel zetten!' Op hetzelfde moment had hij zijn autoriteit verloren. Deze zin heeft zich in mijn geheugen gegrift. Het eind van onze relatie lag er al in besloten. Freud stelde persoonlijke autoriteit boven de waarheid.
Freud kon, zoals ik al zei, mijn toenmalige dromen slechts onvolledig of helemaal niet interpreteren. Het ging om dromen met een collectieve inhoud. Ze bevatten een overvloed aan symbolisch materiaal. Vooral één ervan was belangrijk voor me, want deze bracht me voor het eerst op het begrip van het 'collectief onbewuste'. Deze droom vormde daarom een soort voorspel tot mijn boek 'Wandlungen und Symbole der Libido'.
Dit was de droom: ik was in een mij onbekend huis dat twee etages had. Het was 'mijn huis'. Ik bevond me op de bovenste verdieping. Daar was een soort woonkamer, waar mooie, oude meubels in rococostijl stonden. Aan de muur hingen kostbare schilderijen. Ik was verwonderd dat dit mijn huis zou zijn en dacht: Lang niet gek! Maar toen bedacht ik dat ik nog helemaal niet wist hoe het er beneden uitzag. Ik ging de trap af en kwam op de benedenverdieping terecht. Hier was alles veel ouder, en ik zag dat dit gedeelte van het huis ongeveer uit de vijftiende of zestiende eeuw afkomstig was. De inrichting was middeleeuws, de vloer was van rode baksteen. Het was overal enigszins donker. Ik liep van het ene vertrek naar het andere en dacht: Nu moet ik het huis toch helemaal onderzoeken! Ik kwam bij een zware deur en opende deze. Daarachter ontdekte ik een stenen trap die naar de kelder leidde. Ik ging naar beneden en kwam in een fraai gewelfde ruimte, naar het zich liet aanzien afkomstig uit de Oudheid. Ik onderzocht de muren en ontdekte dat tussen de gewone natuursteen bakstenen zaten; de mortel bevatte stukjes baksteen. Hieraan zag ik dat de muren uit de Romeinse tijd stamden. mijn belangstelling was nu ook tot het uiterste gespannen. Ik onderzocht ook de vloer, die uit grote stenen tegels bestond. In één van hen ontdekte ik een ring. Toen ik daaraan trok, kon ik de tegel oplichten en alweer zag ik een trap. Hij had smalle treden die naar de diepte leidden. Ik ging deze trap af en kwam in een lage grot. Op de grond lag een dikke laag stof en daarin vond ik beenderen en gebroken vaatwerk, zoals de overblijfselen van een primitieve beschaving. Ik ontdekte twee kennelijk heel oude en half vergane mensenschedels. - Toen ontwaakte ik.
Freud was bij deze droom vooral geïnteresseerd in de beide schedels. Hij begon er steeds weer over en raadde me aan een wens te ontdekken die hiermee kon samenhangen. Wat dacht ik dan wel van de schedels? En van wie waren ze afkomstig? Ik wist natuurlijk precies waar hij naar toe wilde: hierachter zouden geheime doodswensen verborgen zijn. - Ja, wat wil hij nu eigenlijk? dacht ik bij mezelf. Wie moet ik dan dood wensen? - Ik voelde een grote tegenzin tegen een dergelijke interpretatie en bovendien vermoedde ik wat de droom werkelijk zou kunnen betekenen. Maar destijds had ik nog geen vertrouwen in mijn eigen oordeel en ik wilde zijn mening horen. Ik wilde van hem leren. Dus ging ik op zijn bedoelingen in en zei: 'Mijn vrouw en mijn schoonzuster' - want ik moest toch iemand noemen die de moeite waard was om dood te wensen!
Ik was toen nog maar kort getrouwd en wist heel goed dat ik niets in mezelf kon vinden dat op dergelijke wensen zou wijzen. Maar als ik Freud mijn eigen ideeën voor een interpretatie van de droom had voorgelegd dan was ik zeker op onbegrip en sterke protesten gestuit. Daar voelde ik me niet tegen opgewassen, bovendien was ik bang zijn vriendschap te verliezen als ik vastgehouden had aan mijn eigen standpunt. Daarnaast wilde ik ook weten wat hij uit mijn antwoord zou opmaken en hoe hij zou reageren als ik hem in de zin van zijn doctrine om de tuin zou leiden. Dus vertelde ik hem een leugen. Ik was me er volstrekt van bewust dat deze handelswijze moreel niet onberispelijk was. Maar het was me toen onmogelijk hem iets te laten blijken van mijn gedachtenwereld; tussen die van mij en die van hem lag een te diepe kloof. Inderdaad leek Freud opgelucht door mijn antwoord. Ik merkte hierdoor dat hij met dit soort dromen geen raad wist en dan toevlucht nam tot zijn doctrine. Het ging mij er echter om de werkelijke zin van de droom te ontdekken.
Het was me duidelijk dat het huis een soort weergave van de psyche was; dat wil zeggen van mijn toenmalige bewustzijnstoestand, aangevuld met tot dan onbewuste gegevens. Het bewustzijn werd gekarakteriseerd door het woonvertrek. Dat had een bewoonde sfeer, ondanks de ouderwetse stijl.
Al op de benedenverdieping begon het onbewuste. Hoe dieper ik kwam, hoe onbekender en donkerder het werd. In de grot ontdekte ik overblijfselen van een primitieve beschaving; dat wil zeggen de wereld van de primitieve mens in mij, die door het bewustzijn nauwelijks meer bereikt of verhelderd kon worden. De primitieve ziel van de mens grenst aan het leven van de dierlijke ziel - zoals ook de holen in de oertijd meestal door dieren werden bewoond, voordat de mensen ze opeisten.
Ik werd me er toen heel scherp van bewust, hoe sterk ik het onderscheid voelde tussen de geestelijke instelling van Freud en die van mij. Ik was opgegroeid in de intens historische sfeer van Bazel aan het einde van de vorige eeuw en had dankzij het lezen van de oude filosofen een zekere kennis verworven van de geschiedenis van de psychologie. Als ik nadacht over dromen en over inhouden van het onbewuste, maakte ik altijd historische vergelijkingen; in mijn studietijd gebruikte ik daarvoor Krugs oude Lexicon der filosofie. Ik kende vooral de auteurs van de achttiende eeuw en het begin van de negentiende. Deze wereld vormde de atmosfeer van mijn woonkamer op de eerste verdieping.. Daarentegen had ik bij Freud de indruk alsof zijn 'geestesgeschiedenis' bij Büchner, Moleschott, Dubois-Reymond en Darwin begon.
Aan mijn hierboven beschreven bewustzijnstoestand voegde de droom nu nog andere bewustzijnslagen toe: de sinds lang niet meer bewoonde benedenverdieping in middeleeuwse stijl; dan de Romeinse kelder en uiteindelijk de prehistorische grot. Ze representeren vervlogen tijden en overleefde bewustzijnsfasen.
De dagen vóór deze droom hadden veel vragen me heel sterk beziggehouden: Op welke premissen berust de psychologie van Freud? Bij welke categorie van het menselijk denken hoort ze thuis? In welke verhouding staat haar vrijwel volstrekt personalisme tot de algemeen historische veronderstellingen? Mijn droom gaf het antwoord. Die ging blijkbaar terug tot de fundamenten van de cultuurgeschiedenis; een geschiedenis van elkaar opeenvolgende bewustzijnstoestanden. De droom stelde een soort structuurdiagram van de menselijke ziel voor, een uitgangspunt van volstrekt onpersoonlijke aard. Dit idee sloeg onmiddellijk aan, 'it clicked', zoals de Engelsen zeggen; en de droom werd voor mij een richtsnoer dat in de daaropvolgende tijd op ongekende wijze juist bleek te zijn. Door deze droom kreeg ik voor het eerst een vermoeden dat de persoonlijke psyche een collectief a priori bezit; ik had dat laatste aanvankelijk aangezien voor sporen van verschillende vroegere functies. Eerst later - door mijn grotere ervaring en betrouwbaarder kennis - zag ik in dat deze functies instincten waren; archetypen.
Ik ben het nooit eens geweest met Freud dat de droom een 'façade' zou zijn waarachter de betekenis verborgen was; een betekenis die al bekend is, maar die zogezegd kwaadwillig aan het bewustzijn onthouden wordt. Dromen zijn voor mij natuur en de natuur misleidt niet opzettelijk; ze deelt iets mee zo goed ze kan - zoals planten groeien en dieren voedsel zoeken zo goed ze maar kunnen. Zo willen onze ogen ons ook niet misleiden, maar wellicht misleiden we ons zelf omdat onze ogen bijziend zijn. Of we horen niet goed, omdat onze oren enigszins doof zijn; maar onze oren willen ons niet misleiden. Lang voordat ik Freud leerde kennen had ik het onbewuste - evenals de dromen, die haar rechtstreekse uitdrukking zijn - gezien als een natuurproces, waar je geen willekeur aan toe kunt schrijven - en zeker geen opzettelijke goocheltrucs. Ik kende geen enkele reden om aan te nemen dat de listen van het bewustzijn zich uitstrekten tot de natuurlijke processen van het onbewuste. De ervaring van alledag leerde me integendeel hoe hardnekkig het onbewuste weerstand biedt aan de neigingen van het bewustzijn.
De droom van het huis had een eigenaardige uitwerking op mij: hij riep mijn oude archeologische interesse wakker. Terug in Zürich nam ik een boek ter hand over Babylonische opgravingen en ik las verschillende werken over mythologie. Daarbij kwam ik 'Symbolik und Mythologie der alten Völker' van Friedrich Creuzer tegen; en dat zette me in vuur en vlam! Ik las als een bezetene en werkte me met vurige interesse door een berg mythologisch en uiteindelijk ook gnostisch materiaal heen om in volslagen verwarring te eindigen. Ik was in een toestand van radeloosheid zoals destijds in de kliniek, toen ik de zin probeerde te begrijpen van psychotische geestestoestanden. Het leek me alsof ik in een denkbeeldig gekkenhuis was beland en ik begon alle centauren, nymfen, goden en godinnen in Creuzers boek te 'behandelen' en te analyseren, alsof ze mijn patiënten waren. Bij deze bezigheid moest ik wel de nauwe relatie tussen antieke mythologie en de psychologie van primitieven ontdekken. Dat was de aanleiding om dit laatste intensief te gaan bestuderen. Ik voelde me wat onbehaaglijk over Freuds gelijktijdige belangstelling voor dit onderwerp, voor zover ik daarin het overheersen van zijn theorie boven de feiten meende te ontdekken.

Terwijl ik nog volop met deze studie bezig was, kreeg ik het fantasiemateriaal onder ogen van een mij onbekende jonge Amerikaanse, miss Miller. Het materiaal was door mijn vereerde vaderlijke vriend Théodore Flournoy gepubliceerd in de 'Archives de Psychologie' (Genéve). Ik was meteen al onder de indruk van het mythologische karakter van deze fantasieën. Ze werkten als een katalysator op de nog ongeordende gedachten die zich in me hadden opgehoopt. Langzamerhand vormde zich uit hen, en uit de door mij verworven kennis van de mythen, het boek over de 'Wandlungen und Symbole der Libido'. Terwijl ik daaraan werkte, had ik veelbetekenende dromen die al zinspeelden op de breuk met Freud. Eén van de meest indrukwekkende speelde zich af in een bergachtige streek in de nabijheid van de Zwitsers-Oostenrijkse grens. Het was tegen de avond, en ik zag een man op leeftijd in het uniform van een keizerlijk-koninklijke (Oostenrijkse) douane-beambte. Hij liep enigszins voorovergebogen langs me heen, zonder op te letten. Zijn gezichtsuitdrukking was knorrig, enigszins zwaarmoedig en geërgerd. Er waren nog meer mensen en iemand vertelde me dat deze oude man eigenlijk niet bestond, het was de geest van een jaren geleden gestorven douanebeambte. 'Dat is één van hen die niet konden sterven', werd er gezegd.
Dat is het eerste deel van de droom.
Toen ik hem ging analyseren viel me bij 'douane' meteen 'censuur' in; bij 'grens': de grens tussen het bewuste en het onbewuste, maar ook tussen Freuds opvattingen en de mijne. Het onderzoek aan de grens - een bijzonder strenge visitatie - leek me te zinspelen op de analyse. Aan de grens worden koffers geopend en onderzocht op smokkelwaar. Daarbij worden onbewuste vooronderstellingen ontdekt. De oude douanier had blijkbaar tijdens de uitoefening van zijn beroep zo weinig plezierigs en bevredigends meegemaakt, dat zijn wereldbeschouwing aan de sombere kant was. Ik kon de analogie met Freud niet ontkennen.
Freud had weliswaar destijds (1911) voor mij in zekere zin zijn autoriteit verloren, maar hij was voor mij nog steeds een superieure persoonlijkheid, waarop ik de vaderfiguur projecteerde. Deze projectie was ten tijde van de droom nog lang niet opgeheven. Als er zo'n projectie bestaat ben je niet objectief, maar je oordeel is gespleten. Aan de andere kant ben je afhankelijk, maar je hebt ook weerstanden. Destijds, toen ik deze droom had, voelde ik nog zeer veel achting voor Freud, maar anderzijds was ik kritisch. Deze verdeelde houding was een aanwijzing dat ik in deze situatie nog onbewust was; ik had er nog niet over nagedacht. Dat is karakteristiek voor alle projecties. De droom raadde me aan hierover duidelijkheid te verkrijgen.
Onder de indruk van de persoonlijkheid van Freud had ik zoveel mogelijk afstand gedaan van mijn eigen oordeel en mijn kritiek teruggedrongen. Dat was de voorwaarde waaronder ik met hem kon meewerken. Ik dacht bij mezelf: Freud is veel intelligenter dan jij en heeft veel nmeer ervaring. Je moet nu gewoon luisteren naar wat hij zegt en van hem leren. En toen droomde ik tot mijn verbazing over hem als een knorrige beambte van de Oostenrijkse keizerlijk-koninklijke monarchie; als een gestorven en nog 'rondwarende' grensrechter. Zou dat de doodswens zijn, waarop Freud had gezinspeeld? (Volgens mij was het geen vader-zoon relatie, maar een twin verbinding, waarbij één van de twee dood moest.; E.R.) Ik kon bij mezelf niets vinden wat normaal gesproken zo'n wens zou koesteren, want ik wilde om zo te zeggen tot elke prijs samenwerken en op een onbeschaamd egoïstische manier in zijn rijke ervaringen delen. Bovendien hechte ik veel waarde aan onze vriendschap. Er was voor mij dus geen enkele aanleiding om hem dood te wensen. De droom kon echter wel een correctie zijn, een compensatie van mijn bewuste waardering en bewondering, die - al was me dat onwelkom - kennelijk te ver ging. De droom raadde een wat kritischer houding aan. Ik was daarover erg ontdaan, hoewel de slotzin van de droom leek te zinspelen op onsterfelijkheid.
De droom was met de episode van de douanier nog niet ten einde; na een hiaat volgde een tweede opmerkelijk deel. Ik bevond me in een Italiaanse stad, het was rond het middaguur, tussen twaalf en één. De zon brandde heet op de steegjes. De stad was op een heuvel gebouwd en deed me denken aan een bepaald deel van Bazel, de Kohlenberg. De straatjes die van daaruit naar beneden leiden naar het Birsigtal - dat dwars door de stad loopt - bestaan gedeeltelijk uit trappen. Net zo'n trap ging naar beneden, naar de Barfüsserplatz. Het was Bazel, en toch was het een Italiaanse stad, het leek wat op Bergamo. Het was zomer, de stralende zon stond in het zenith en alles baadde in het intensieve licht. Er kwamen me veel mensen tegemoet, en ik wist dat de winkels nu gesloten werden en dat de mensen nu naar huis gingen om te eten. Te midden van deze stroom mensen liep een ridder in volle wapenuitrusting. Hij liep naar boven, de trap op, mij tegemoet. Hij droeg een helm met vizier en een maliënkolder. Daarover heen droeg hij een wit overkleed, waarin aan de voor- en achterkant een groot, rood kruis was geweven.
U kunt zich voorstellen wat voor indruk het op mij maakte toen plotseling, in een moderne stad, 's middags tijdens het spitsuur, een kruisvaarder op me toekwam! Het viel me vooral op dat geen mens op straat hem leek te zien. Niemand draaide zich om, of keek naar hem - het leek alsof hij voor de anderen volkomen onzichtbaar was. Ik vroeg me af wat deze verschijning te betekenen had; en toen was het net alsof iemand me antwoord gaf - maar er was niemand te zien die dit zei -: 'Ja, dat is een regelmatig terugkerende verschijning. Altijd tussen twaalf en één komt de ridder hier voorbij en dat gaat al heel lang zo (ik kreeg de indruk: al eeuwen lang) en iedereen weet het.'
De droom maakte diepe indruk, maar destijds begreep ik hem in de verste verte niet. Ik was neerslachtig en ontdaan, en ik wist er geen raad mee.
De ridder en de douanier waren tegengestelde figuren. De douanier was schimmig, zoals iemand die 'nog niet sterven kon'- een wegstervende verschijning. De ridder daarentegen een levenskrachtige figuur en volstrekt reëel. Het tweede deel van de droom was in hoge mate numineus; de scène aan de grens was nuchter en op zich niet indrukwekkend, eerst mijn latere overwegingen hadden mij ontsteld.
Over de raadselachtige figuur van de ridder heb ik in de daaropvolgende tijd veel nagedacht, zonder echter de betekenis helemaal te kunnen vatten. Pas veel later, nadat ik veel over de droom had gemediteerd, kon ik zijn betekenis enigszins begrijpen. Al tijdens de droom wist ik dat de ridder in de twaalfde eeuw thuishoorde. Dat is de tijd waarin de alchemie opkwam en de Queeste naar de Heilige Graal. De Graallegenden speelden al vanaf mijn jeugd een grote rol. Op mijn vijftiende jaar had ik ze voor het eerst gelezen, en dat was iets onvergetelijks geweest, een indruk die me nooit meer heeft losgelaten. Ik vermoedde dat daar nog een geheim verborgen was. Zo leek het me heel natuurlijk dat mijn droom deze wereld van de Graalridders en hun Queeste weer opriep, want dat was in diepste zin mijn wereld, die met de wereld van Freud nauwelijks iets te maken had. Alles in me was op zoek naar iets dat nog onbekend was, iets dat aan de banaliteit van dit leven een zin kon geven. (Hartscontact met de twee anderen in de baarmoeder?; E.R.)
Ik was diep teleurgesteld dat met alle inspanning van ons onderzoekend verstand in de diepten der ziel klaarblijkelijk niets anders ontdekt kon worden dan het maar al te bekende 'al te menselijke'. - Ik ben opgegroeid op het land, tussen de boeren en wat ik niet in de stal kon leren, dat hoorde ik wel door de rabelaisiaanse grappen en de ongegeneerde fantasie in de folkore van onze boeren. Incest en perversiteiten waren voor mij geen opmerkelijke nieuwtjes; ze hadden geen bijzondere verklaring nodig. Samen met de criminaliteit hoorden ze tot dat zwarte bezinksel, dat mij de lust tot leven vergalde, omdat de lelijkheid en de zinloosheid van het menselijk bestaan maar al te duidelijk werden aangetoond. Het was voor mij vanzelfsprekend dat kool op mest gedijt. Ik moest bekennen dat ik daarin geen inzicht kon ontdekken dat me ook maar iets verder hielp. Dat zijn nu eenmaal allemaal stadsmensen, dacht ik. Ze weten niets van de natuur en de menselijke stal. Ik zelf had al lang genoeg van al dit weerzinwekkends.
Natuurlijk zijn mensen die niets van de natuur afweten neurotisch, want ze zijn niet aangepast aan de werkelijkheid. Ze zijn nog te naïef, zoals kinderen; ze moeten als het ware voorgelicht worden dat ze mensen zijn zoals alle anderen. Daarmee zijn neurotici overigens nog niet genezen; ze kunnen alleen weer gezond worden als ze zich kunnen bevrijden van het vuil van alledag. Maar ze blijven maar al te graag steken in wat ze eerst verdrongen hadden - en hoe zouden ze ook eruit moeten komen als ze zich door de analyse niet van iets anders en beters bewust worden? Als zelfs de theorie hen daarop vastlegt, en geen andere mogelijkheid biedt dan het rationele of 'verstandige' besluit om deze kinderachtigheden eindelijk eens op te geven? Dat is nu immers precies datgene wat ze niet kunnen. En hoe zouden ze het ook kunnen, als ze niet iets konden ontdekken dat hun vaste grond onder de voeten geeft? Je kunt niet de ene manier van leven opgeven zonder er een andere voor in de plaats te krijgen. Een strikt redelijke levenswijze is, zoals we uit ervaring weten, in de regel onmogelijk, vooral als je zogezegd van huis uit zo onredelijk bent als een neuroticus.
Het werd me nu duidelijk waarom ik zo'n intense belangstelling had voor Freuds persoonlijke psychologie. Ik moest in ieder geval te weten komen hoe het met zijn 'redelijke oplossing' gesteld was. Dat was een vraag van levensbelang; ik moest daar een antwoord op krijgen, ook al zou het me veel offers kosten. Nu stond het probleem me duidelijk voor ogen. Freud had zelf een neurose, één die goed te diagnosticeren was met uiterst pijnlijke symptomen, zoals ik tijdens onze reis naar Amerika had ontdekt. Hij had me toen voorgehouden dat iedereen een tikkeltje neurotisch was en dat je daarom tolerant moest zijn. Ik was echter helemaal niet van plan daarmee genoegen te nemen; ik wilde liever weten hoe je een neurose vermijden kunt. Ik had gemerkt, dat noch Freud, noch zijn leerlingen konden begrijpen wat het voor de theorie en de praktijk van de psychoanalyse te betekenen had wanneer niet eens de meester zèlf raad wist met zijn eigen neurose. Toen hij dan ook met het plan kwam theorie en methode te identificeren en te dogmatiseren kon ik niet meer met hem samenwerken; er bleef me niets over dan me terug te trekken.
Toen ik aan het laatste hoofdstuk van mijn 'Wandlungen und Symbole der Libido' - het hoofdstuk over het 'offer' - zou beginnen, wist ik van tevoren dat dit mij mijn vriendschap van Freud zou kosten. Hierin moest mijn eigen opvatting over incest ter sprake komen, en de beslissende verandering van het libidobegrip; en nog een paar andere gedachten waardoor ik me van Freud onderscheidde. Voor mij betekent incest slechts bij hoge uitzondering een persoonlijke complicatie. (Ik zie hier wel een persoonlijke complicatie: die van de zoektocht naar de twin band, maar daar had Jung ook geen zicht op.; E.R.) Meestal vertegenwoordigt ze een hoogst religieuze inhoud, (Onvoorwaardelijke twin hartsverbinding.; E.R.) waardoor incest ook in bijna alle cosmogonieën en in talrijke mythen een doorslaggevende rol speelt. Maar Freud hield aan het letterlijke begrip vast en kon de geestelijke betekenis van incest als symbool niet begrijpen. Ik wist dat hij dit alles nooit zou kunnen accepteren.
Ik sprak er met mijn vrouw over en vertelde haar wat ik vreesde. Ze probeerde me gerust te stellen, want ze dacht dat Freud mijn opvattingen grootmoedig in hun waarde zou laten, ook wanneer hij ze zelf niet zou kunnen accepteren. Ik zelf was ervan overtuigd dat hij dat niet zou kunnen opbrengen. Twee maanden lang kon ik geen letter op papier krijgen; ik werd gekweld door het conflict: moet ik verzwijgen wat ik denk, of moet ik onze vriendschap op het spel zetten? Uiteindelijk besloot ik alles op te schrijven en dat heeft me de vriendschap van Freud gekost.
Na de breuk met Freud trokken al mijn vrienden en bekenden zich terug. Mijn boek werd voor een prul uitgemaakt. Ik werd beschouwd als mysticus en daarmee was de zaak afgedaan. Riklin en Maeder waren de enigen die aan mijn kant bleven staan. Maar ik had deze eenzaamheid voorzien, ik had me geen illusies gemaakt over de reacties van mijn zogenaamde vrienden. Dat was een punt dat ik grondig had overwogen. Ik wist dat nu alles op het spel stond en dat ik voor mijn overtuiging op de bres moest staan. Ik zag dat het hoofdstuk 'Het offer' mìjn offer betekende. Toen ik dit inzag, kon ik weer schrijven, hoewel ik vooruit wist dat niemand mijn opvattingen zou begrijpen.

Terugkijkend kan ik zeggen dat ik de enige ben, die de twee problemen die Freud het meest geïnteresseerd hebben, op toepasselijke wijze verder heb ontwikkeld: het probleem van de 'archaïsche resten' en dat van de seksualiteit. Het is een wijdverbreid misverstand te denken dat ik de waarde van de seksualiteit niet zou inzien. Integendeel, deze speelt een zeer belangrijke rol in mijn psychologie, namelijk als wezenlijke - hoewel niet de enige - uitdrukking van de psychische totaliteit. Mijn centrale thema was echter het geestelijke aspect en de numineuze betekenis van de seksualiteit te onderzoeken en te verklaren - boven haar persoonlijke betekenis en die van de biologische functie uit. Ik wilde dus datgene uitdrukken waardoor Freud gefascineerd was - maar wat hij niet kon bevatten. Mijn boeken 'Die Psychologie der Uebertragung' en 'Mysterium Coniunctionis' bevatten mijn gedachten over dit thema. Als uitdrukking van een chtonische geest is de seksualiteit van de allergrootste betekenis. Want deze geest is het 'andere gezicht van God', de donkere zijde van het godsbeeld. De problemen in verband met de chtonische geest hielden me bezig sinds ik met de gedachtenwereld van de alchemie in aanraking was gekomen. Maar in feite werden deze problemen gewekt door één van de eerste gesprekken met Freud - toen ik zijn gedrevenheid door de seksualiteit voelde, zonder dat ik daarvoor een verklaring kon vinden.

Freuds grootste prestatie was wel, dat hij zijn neurotische patiënten serieus nam en inging op de hun eigen en individuele psychologie. Hij bracht de moed op de casuïstiek voor zich te laten spreken en op deze manier drong hij door tot de individuele psychologie van de zieke. Hij keek als het ware met de ogen van de patiënt (Twin verbinding......; E.R.) en verwierf daardoor een dieper begrip van de ziekte dan tot dan mogelijk was geweest. Op dit terrein was hij moedig en niet-vooringenomen. Dat bracht hem ertoe een groot aantal vooroordelen te overwinnen. Als een oudtestamentisch profeet heeft hij de taak op zich genomen om valse goden ten val t ebrengen, om bergen oneerlijkheid en huichelarij te onthullen en om zonder erbarmen de psychische verdorvenheid van zijn tijd aan het licht te brengen. Hij schrok er niet voor terug de impopulariteit van zo'n onderneming te incasseren. De impuls die hij daarmee aan onze cultuur gegeven heeft, bestond uit zijn ontdekking van een toegang tot het onbewuste. Met het erkennen van de droom als belangrijkste informatiebron omtrent de processen in het onbewuste, heeft hij aan het verledenen de vergetelheid een schat ontrukt, die reddeloos verloren scheen. Hij heeft empirisch de aanwezigheid van een onbewuste psyche bewezen, iets wat tevoren slechts als filosofisch postulaat bestaan had, namelijk in de filosofie van Carl Gustav Carus en Eduard von Hartmann.
Men kan wel stellen dat het tegenwoordige cultuurbewustzijn - voor zover het filosofisch over zichzelf nadenkt - het idee van het onbewuste en de consequenties ervan nog niet heeft geabsorbeerd, hoewel het er al sinds meer dan een halve eeuw mee is geconfronteerd. Het algemene en fundamentele inzicht dat ons psychisch bestaan twee polen heeft, blijft nog steeds een taak voor de toekomst.'